De rechtbank doet komende woensdag 10 juni schriftelijk uitspraak in een rechtszaak die is aangespannen tegen het Mauritshuis in Den Haag.
Erfgenamen van kunsthistoricus Abraham Bredius (1855-1946), die van 1889 tot 1909 directeur was van het Mauritshuis, willen 25 kunstwerken terug van het museum, waaronder topstukken van Rembrandt, Ruysdael en Van Steen. Volgens de erfgenamen was afgesproken dat alle 25 werken op zaal zouden hangen, maar dat is niet het geval. De erfgenamen en het museum stonden medio april tegenover elkaar in de rechtszaal.
Voor zijn overlijden in 1946 was Bredius met het Mauritshuis overeengekomen dat hij een selectie van zijn kunstverzameling zou nalaten aan het museum. Hij stelde daarbij als voorwaarde dat de werken altijd op zaal zouden hangen in het Haagse museum naast het Binnenhof. Volgens de erfgenamen komt het museum die afspraak niet na. Vijftien van de 25 werken zijn opgeslagen in het depot.
Een ander deel van zijn collectie schonk Bredius aan de gemeente Den Haag. Die schilderijen zijn tentoongesteld in Museum Bredius aan de Lange Vijverberg. Hier heeft de kunsthistoricus dezelfde afspraken gemaakt: de kunst moet te allen tijde getoond worden.